Ik sliep altijd zo graag. En nog liever met hem, zijn adem syncte soms met die van mij en zijn ruisende lijf zette uit, kromp ineen. Ik deed mee tot ik in slaap viel, ook al maakte hij mijn shirt helemaal nat: zijn lijf heeft een vreemde link tussen slapenzweten. Mijn t-shirt is nat van zijn t-shirt die nat is door hem. Het deerde me niet. Nu ronkt hij ook, en ik weet niet hoe laat het is, ik mag niet meer kijken van mezelf. Mijn lijf doet zeer van het stijf liggen. ‘Je mag kijken naar het duister, maar niet staren’ zag ik gisternacht op Instagram. Maar ik staar toch, voor het geval ik iets zou missen. Ik span mijn handen aan en laat los span mijn onderarmen bovenarmen aan laat los er reutelt iets in mijn keel span mijn gezicht mijn nek aan trek mijn schouders op flex mijn bovenbenen voeten. De laatste tijd bedenk ik bijna elke dag uitvoerig een apocalypse: nét voor ik het licht uitdoe, stel ik me in detail de dag voor dat we halsoverkop onze koffers moeten pakken voor een aankomende storm (en maak ik een mental note om alle waardevolle spullen misschien nu al in te pakken). Dan stel ik me voor hoe ons dorp onder water staat. Dan stel ik me ons huis voor met water tot aan de nok, maak ik me zorgen om ‘onze investering’ (mental note: aanvullende verzekering nemen?) en moet ik mezelf eraan herinneren dat het allemaal niet erg is zolang wij er dan nog zijn. Zullen we er nog zijn. Ik vraag me af hoe het voor mijn dan 25-jarige kind zal zijn, nu zo groot als een sesamzaadje. Ik vraag me af of die het me kwalijk zal nemen. Dirk De Wachter zei dat we als samenleving een moeilijke fase doormaken, dat er geen apocalypse aankomt. Ik neem het zekere voor het onzekere en bedenk me er toch een. Want ik wil Return On Investment: beter wantrouwen dan misplaatst vertrouwen. Dat is enkel verkwiste energie, toch? Ik zit op de bus naar het werk, ververs de nieuwsapp, op zoek naar nieuws over de presidentsverkiezingen. Nog niks bekend. Ik kijk naar de peilingen: Trump staat op kop. Ik vraag me af of zijn stemmers ’s nachts ook zo malen over de toekomst, of hopen ze Trump dat voor ze weg zal nemen? Je zou er bijna jaloers van worden. Welke toekomst zouden ze over malen? Het is nog donker in ons kantoortje wanneer ik aankom. Ik knipper het licht aan, hij kijkt op vanachter de grote monstera plant op zijn bureau. Ik groet hem met een brede glimlach, hij ziet er moe uit. ‘Ik keek net Trumps overwinningsspeech’, zegt hij. ‘Oh’ ik stop met lachen, (op een begrafenis ga je ook niet zitten lachen). ‘Vier jaar trump is laaaaang’, zegt hij dof. ‘Tenzij hij snel uitvalt, natuurlijk, dat hij alzheimer krijgt of zo. Of dat er een piano op hem valt terwijl hij door een straat loopt, haha.’ Hij lacht niet: ‘Ja, zoiets. Maar het liefst wel snel.’ Ik moet even wat stilte opvullen: ‘Ik vind het verwarrende tijden.’ Ik merk dat ik een intense nood heb om een politieke keuze te zien die mijn idee van wat juist is, erkent, zeker in crisistijd. Hoezo verbaast het me dat hoe iemand anders zijn ‘juist’ zo tegengesteld kan zijn aan die van mij, en hoezo schrik ik wanneer ik zie voor hoeveel mensen dat het geval is (Trump kreeg 76.916.849 stemmen). Hij zegt dat hij misschien weet hoe dat komt: het wij-gevoel is verdwenen. Door social media. Door de emancipatiebewegingen de laatste jaren, en de tegenbewegingen die ze oproepen. Hij zegt dat we daardoor steeds meer in hokjes zitten: ‘Een goede maatschappij gedijt bij het tolereren van je medemens.’ Hij zegt dat bewegingen als me too bijvoorbeeld betekent dat je identiteit “vrouw’ is. Dat je je afmeet in hoe je verschilt van de ander. Hij zegt: ‘het wordt “wij versus zij”’. ‘Weet jij waar het dan eindigt?’ vraag ik alsof hij een soort messias is. ‘Nee’ zegt hij. Ik denk aan het sesamzaadje, die 2 mm ‘mens’. Ik had gewild dat ik iets anders had kunnen voorbereiden voor hen, een tolerantere wereld die respect heeft voor medemens en natuur, en nog meer Miss Universe-wensen. Soms zakt de moed dieper en bedenk ik me dat ik liever de keuze had gehad: dat ik heel rationeel kosten tegenover baten had kunnen zetten, en dat dan had gewezen richting ‘geen kind krijgen’ want: slapeloze nachten, gore luiers, geen vertrouwen in het voortbestaan van de mens. Liever niet in het merg willen zitten. Liever gewoon zaterdagavond, hij en ik, vooral niet weten wat we hadden gemist. Het is kerst. Het celzakje in mijn buik is zo groot als een bosbes. Samen met de buren hangen we kerstlampjes op in de bomen voor onze huizen. Tijdens een koffiepauze verdedigt mijn israelitische buurman nog even Nederlands keuze voor Wilders. Enkele pijnlijke minuten later houd ik zijn ladder vast terwijl hij een sliert kerstlichtjes in de plataan voor onze huizen hangt. En Itzak, heb jij nog een wollige kerstwens? Rust in de wereld? Geen wereldproblemen meer, of zo?’ ‘Ach, ik ben al zo oud.
Ik heb genoeg crises gezien. Op de duur ga je er niet zo meer in mee, weet je. We komen er altijd wel uit,’ ik wil hem graag geloven. Het is maart. Onze straat is niet overstroomd. Elke ochtend word ik wakker in mijn stijve lijf – ‘kijken, niet staren’ – en ben ik bang dat ik niet meer misselijk ben. Dat mijn lijf terug de oude is. Dat de bosbes, nu een kiwi, loslaat.
Plaats een reactie